Het gaat niet goed met onze industrie. In de afgelopen dertig jaar verloor geen enkel land in Europa zoveel van zijn industrieel weefsel als België. Vandaag wordt in het Paleis der Academiën te Brussel een Staten-Generaal van de Industrie gehouden, om ‘voortbouwend op reeds ontwikkelde toekomstvisies, toekomstprojecties en knowhow, een verfijnde strategische toekomstvisie uit te tekenen voor de industrie in Vlaanderen en te overleggen over een integrale aanpak van de Vlaamse secundaire sector in samenspraak met de betrokken sectoren.’
Het is positief dat de industrie — ik verkies de term ‘maaksectoren’ — alle aandacht krijgt. Het is immers de kern van onze welvaart. De maaksectoren betalen meer lonen dan welke andere activiteit. De totale lonen in de bedrijfsdiensten bedragen slechts 66.procent van het totaal dat door de maaksectoren wordt betaald. De loonmassa in de bouw bedraagt een kwart, die van de horeca 7.procent en van transport en telecom samen 37.procent van die van de industrie. Zonder de maaksectoren is er een economische woestijn, een landschap met minder weelderige begroeiing.
—
Waarom verliest België proportioneel meer industrie?
Neem Jef, Joop en Fritz, die voor hetzelfde Amerikaanse industriële concern werken, respectievelijk in België, Nederland en Duitsland. Ze hebben exact dezelfde job. Alledrie hebben ze een familie met twee kinderen, en een werkende echtgenote. Hoe leg je echter uit aan Jef dat hij 10.procent duurder is dan Fritz, maar netto toch 10.procent minder overhoudt dan zijn Duitse werkbroeder? En Joop kost zelfs 21.procent minder, en ziet toch elke maand 13.procent meer op zijn rekening verschijnen. Jef moet zijn hogere loonkosten goedmaken voor zijn onderneming door een hogere productiviteit te behalen dan zijn buitenlandse bedrijfsgenoten, maar tegelijkertijd houdt hij daar zelf aardig wat minder aan over.
Het noodlot slaat toe en de onderneming moet een herstructurering doorvoeren. Na een analyse van de kosten besluit de bedrijfsleiding de productie naar Duitsland te verschuiven. Jef is uiteraard in alle staten. Hij werkt harder en tijdens het nieuwjaarsfeestje hebben ze nog de sommen eens naast elkaar gelegd: hij ontving het laagste bedrag van de drie op zijn bankrekening.
Weet Jef echter dat 65.procent van zijn totale loonkosten voor zijn werkgever door de Belgische staat wordt afgeroomd? Bij Fritz is dat 58.procent en Joop moet 55.procent afstaan. Jef draagt per werkuur 24.euro af aan de staat, Joop slechts 17,6.euro, en Fritz 19.euro.
Het probleem van de industrie is hiermee voor een groot deel geschetst. Als de Belgische overheid even zuinig zou werken als de Nederlandse of de Duitse overheid, dan zou de Belgische industriearbeider bij de goedkoopste in euroland zijn, en niet de duurste, zoals vandaag het geval is.
De werknemers zouden dus bij hun vakbonden in feite vooral moeten eisen dat wat ze afdragen goed wordt besteed. Dat dezelfde productiviteit en efficiëntie wordt gevraagd voor de twee derden van hun loonkosten die ze afstaan, dan voor het derde dat ze zelf mogen houden.
Het probleem is echter dat met elke nieuwe herstructurering de lasten voor de Belgische staat toenemen, die vervolgens door minder belastingbetalers wordt gedragen. België heeft zowat de laagste werkgelegenheidsgraad in de eurozone. Het probleem van ons land is dus dat er te weinig schouders de lasten dragen, zodat die vergeleken met het buitenland, ook zwaardere lasten moeten torsen.
Dit systeem heeft een zelfvoedend karakter. Als de helft van de loonkosten naar de staat gaat, is er nog een tegengewicht. Als 65.procent van de loonkosten naar de overheid gaat, primeert echter de staat.
Het lijkt me dus onmogelijk om over de toekomst van de industrie te praten, zonder over de efficiëntie van de staat, de loonkosten van de werknemers en de rol van de vakbonden te spreken. Geen van deze drie essentiële onderwerpen voor de industrie staan op de agenda van vandaag.
Er wordt dikwijls gezegd dat loonkosten geen rol spelen, dat het slechts een fractie is van de totale productiekosten. Er wordt vergeten dat Jef, Joop en Fritz echter met dezelfde technologie, organisatie en machines werken. Wat zij kosten, maakt wel degelijk een belangrijk verschil, in een sector met flinterdunne marges. De overheid heeft echter invloed op twee derde van haar kosten. Door haar eigen werking zuiniger te maken, kan werken in de maaksectoren terug aantrekkelijker worden. En zo kan een heilzame cirkel ontstaan: meer schouders die lichtere lasten dragen.
We zijn trots op de hoge productiviteit in ons land, hoewel het een teken van stress is. Alleen de productiefste jobs overleven hier nog. Bij elke nieuwe herstructurering verhoogt de statistische productiviteit, want de minder productieve jobs gaan verder verloren. En zo blijft een vicieuze spiraal op gang. Naarmate de tewerkstelling verder afkalft in de maaksectoren, en daardoor ook jobs in toeleverende diensten vernietigt, groeit de groep van mensen die afhankelijk is van de overheid. De staat wordt geleidelijk de belangrijkste werkgever, de belangrijkste jobcreator, en krijgt zo de grootste aanhang.
Deze evolutie is volop op gang, een groeiende en moderne vorm van verstaatsing. Enkele maanden geleden noemde ik het in een uitzending van ‘wallonisering’. Het is geen goede term, maar betekent dat in gelijkaardige omstandigheden, dezelfde beslissingen worden genomen. Het vertaalt zich in een groeiende invloed van de overheid, de verruwing van de syndicale acties, de antipathie tegenover de ondernemers, de demotivatie om nog eigen initiatief of risico te nemen.
Het zou dus fout zijn om te geloven dat de ommekeer en de nieuwe initiatieven van de overheid moeten komen. Zij moet vooral haar eigen organisatie op punt stellen. Ze kan wel een aanzet geven met normen, een voorbeeldfunctie of een stimulerende regelgeving.
Een nieuw ondernemerschap groeit ondertussen in het zuiden van het land. Kleinschalige ondernemingen die zorg dragen voor hun medewerkers, met nieuwe ideeën naar nieuwe markten kijken. Spin-offs van universiteiten en spin-offs van grote bedrijven. Die kleinschalige projecten zijn er ook volop in Vlaanderen. De jonge scheuten vallen echter niet op tussen het gekreun van de dinosaurussen.
Een nieuwe dynamiek is dus altijd mogelijk. De toekomst van de maaksectoren zit bij de kmo, de atypische ondernemingen, die zich aanpassen en aanpikken bij de Groene Economie, de BRIC-landen of andere opportuniteiten. Daarvoor zijn gemotiveerde werknemers nodig die de vruchten van hun inzet ten volle kunnen plukken, solidair met anderen, maar zonder parasitaire systemen in stand te houden.
Niemand vraagt een terugkeer van de ‘laissez-faire’ economie. Maar het zou fataal zijn om in het andere uiterste te verzeilen: de ‘faire à l’aise’ economie (1).
Geert Noels op zijn blog Econoshock